Steeds meer Nederlands talent kiest voor universiteitstennis in VS, tennisbond kritisch

Steeds meer tennistalenten laten Nederland achter zich voor een avontuur in de Verenigde Staten. De Nederlandse tennisbond KNLTB erkent de toenemende concurrentie van het Amerikaanse collegesysteem en kijkt kritisch naar deze ontwikkeling.

Recentelijk maakte ook de 18-jarige Mees Röttgering, voormalig nummer 1 van de wereld bij de junioren en een van Nederlands grootste talenten, de stap naar Amerika. “Ik heb hier meer structuur dan in Nederland en ben blij met de coaches”, legt hij uit.

Het college-tennis is voor spelers vaker een route naar een succesvolle profloopbaan. Liefst 34 tennissers met een achtergrond in het Amerikaanse universiteitstennis bereikten het hoofdtoernooi van de Australian Open (25 mannen en 9 vrouwen). Dat waren er tien jaar geleden nog maar 10.

Harde leerschool

Ben Shelton is van die 34 het aansprekendste voorbeeld. De nummer acht van de wereld, die twee jaar college-tennis speelde, ziet het als een goede, maar ook harde leerschool. “De meeste collegespelers zijn meedogenloos. De collegespelers die later doorbreken als prof zijn geen watjes”, aldus Shelton.

Wat is college-tennis?

College-tennis is een competitievorm in de Verenigde Staten waarbij universiteitsteams tegen elkaar uitkomen. Het betreffen teamwedstrijden, geen individuele toernooien. Elke ontmoeting bestaat uit zes enkelspelen en drie dubbels.

Er wordt in januari traditioneel gestart met een regulier seizoen, gevolgd door zogeheten Conference-kampioenschappen en een nationaal kampioenschap in mei.

Peter Lucassen was in het verleden speler/coach op een universiteit in Los Angeles. “College-tennis wordt steeds populairder, omdat spelers steeds later doorbreken. Niet iedereen is namelijk een Alcaraz of Sinner”, zegt de oud-coach van Botic van de Zandschulp.

“En een tennisloopbaan kun je nu prima tot je 36ste volhouden. Het is dus een goede optie om tussen 18 en 22 jaar een paar jaar ervaring in Amerika op te doen.”

“In Nederland was mijn weekprogramma soms niet duidelijk en moest ik veel reizen voor trainingen. Hier weet ik precies waar ik aan toe ben”, aldus Röttgering. Hij komt, mede dankzij de hulp van Davis Cup-captain Paul Haarhuis, uit voor de universiteit van Wake Forest in North Carolina.

Röttgering: “Ik vond college-tennis een lastige keuze, je laat toch wat achter. Maar ik kan hier met veel goede spelers trainen, die opties waren er in Nederland minder.”

De Limburger blijft wel proftoernooien spelen, zo heeft hij met zijn universiteit afgesproken. Röttgering komt bijvoorbeeld binnenkort in actie bij de kwalificaties van het ABN Amro Open in Rotterdam.

Op eigen benen staan

Rose Marie Nijkamp (19) stapte een jaar geleden over naar het college-tennis bij Oklahoma State. Haar tennisdroom was een enorme financiële inspanning, terwijl de onzekerheid over haar toekomst bleef. “In Amerika ben ik voor vier jaar verzekerd van college”, vertelt de marketing-studente, die in 2022 als junior de dubbeltitel op Wimbledon won.

“Mijn ouders hebben in het verleden veel geïnvesteerd in mij, dus nu kies ik ervoor om op eigen benen te staan. Het gaat tot nu toe goed en mijn droom blijft: het halen van een grandslamtoernooi en deelnemen aan de Olympische Spelen.”

Naast Röttgering en Nijkamp maakten ook talenten als Abel Forger (20), Hidde Schoenmakers (18) en Manvydas Balciunas (19) de overstap naar de Verenigde Staten.

Jacco Eltingh, directeur Sport van de KNLTB, kijkt met gemengde gevoelens naar de talentenuittocht. “Of dit de beste route voor de Nederlanders is, dat moet deze groep gaan bewijzen, maar college-tennis is wel iets waar wij nu rekening mee houden.”

“Gaan die spelers er in de Verenigde Staten tactisch of technisch op vooruit? Ik ben heel benieuwd of de coaches daar ook echt opleiden en niet alleen maar na de wedstrijd wat roepen.”

Behoorlijke vergoedingen

Volgens Eltingh is het college-alternatief ook financieel gezien een concurrent geworden. “Talenten kunnen daar een behoorlijke vergoeding krijgen. Dat kan de spelers en ouders, die veel hebben geïnvesteerd, een bepaalde rust geven”, zegt hij. “Die bedragen variëren tussen de 3.000 en 10.000 euro per maand.”

Eltingh keurt de keuze van de talenten zeker niet af, het kan immers ook goed voor het Nederlands tennis uitpakken. “Maar als we naar de feiten en cijfers kijken, is het vanuit Nederlands perspectief nog een B-route”, zegt de tennisdirecteur.

“De afgelopen veertig jaar hebben Paul Haarhuis en Arianne Hartono de stap van college naar de proftour goed verteerd. Maar verder is er nog geen Nederlander geweest die een hoge ranking in het enkelspel heeft gehaald.”

Eltingh zou het liefst de beste Nederlandse tennissers met elkaar laten trainen, in Nederland, zoals Tallon Griekspoor, Botic van de Zandschulp en later Jesper de Jong dat ook met elkaar hebben gedaan. “Spelers maken spelers.”

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *